ECLI:NL:RVS:2002:AE6487
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering legalisatie vervangend geboortebewijs wegens twijfel aan juistheid
Appellant verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om een vervangend geboortebewijs te legaliseren, maar dit werd geweigerd omdat de juistheid van het document niet aannemelijk was gemaakt. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat appellant weliswaar pas in beroep volledig kennis kon nemen van geanonimiseerde stukken van het verificatieonderzoek, maar dat dit niet leidde tot een onzorgvuldige besluitvorming. De beperkingen in kennisneming waren gerechtvaardigd en in overeenstemming met artikel 8:29 van Pro de Awb en het EVRM.
De Raad van State oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd om de twijfel aan de juistheid van het geboortebewijs weg te nemen. Ook de aangevoerde bijzondere omstandigheden en het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot legalisatie van het geboortebewijs bevestigd.