ECLI:NL:RVS:2002:AE6718
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.E. van der Does
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing Awb bij vergoeding rechtsbijstand en verrekening proceskosten
De zaak betreft het hoger beroep van de Raad voor de Rechtsbijstand tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden die het beroep van een rechtsbijstandverlener tegen besluiten tot vergoeding van verleende rechtsbijstand gegrond verklaarde. Het geschil draait om de vraag of de vergoeding als subsidie moet worden aangemerkt en of de verrekening van proceskostenvergoedingen door het bureau rechtsbijstandvoorziening op basis van de Awb terecht is.
De rechtbank had geoordeeld dat de bijzondere regeling in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) de maatstaf vormt voor de vergoeding en dat de Awb niet van toepassing is. De Raad van State stelt echter vast dat de Awb wel van toepassing is, tenzij dit niet verenigbaar is met de bijzondere regeling. De vergoeding moet worden gezien als een subsidie in de zin van artikel 4:21 Awb Pro, wat betekent dat de bepalingen van hoofdstuk 4 Awb, waaronder artikel 4:48, ook van toepassing zijn.
De Raad van State oordeelt dat het bureau rechtsbijstandvoorziening bevoegd was om bij overtreding van de in artikel 29 Wrb Pro neergelegde verplichting tot tijdige overlegging van bewijs van toevoeging, de toegekende proceskostenvergoedingen in mindering te brengen. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de rechtsbijstandverlener wordt ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de rechtsbijstandverlener wordt ongegrond verklaard en de verrekening van proceskostenvergoedingen door het bureau is terecht toegepast.