ECLI:NL:RVS:2002:AE8230
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen opheffing vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling wegens taalbegrip
In deze zaak heeft de staatssecretaris van Justitie hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage die de vrijheidsontnemende maatregel tegen een vreemdeling had opgeheven. De maatregel was opgelegd op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waarbij de vreemdeling verplicht werd zich op te houden in een aangewezen ruimte en beveiligd werd tegen ongeoorloofd vertrek.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris in strijd had gehandeld met de Vreemdelingencirculaire 2000 en artikel 5 van Pro het EVRM omdat de vreemdeling de inhoud van de beschikking en de beroepsmogelijkheden niet in een voor hem begrijpelijke taal was medegedeeld. De staatssecretaris betwistte dit en stelde dat de vreemdeling voldoende Engels sprak om de mededelingen te begrijpen.
De Raad van State stelde vast dat uit het dossier blijkt dat de vreemdeling een middelbare schoolopleiding en internationale contacten heeft, wat voldoende kennis van de Engelse taal impliceert. Ook was door een ambtenaar op ambtsbelofte verklaard dat de vreemdeling de beschikking in het Engels had ontvangen en begrepen. Daarom is de grief van de staatssecretaris gegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Het beroep van de vreemdeling wordt alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd; het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.