Het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen trok bij besluit van 8 november 2001 de milieuvergunning in die aan appellanten sub 1 was verleend voor de opslag van maximaal 15.000 kg vuurwerk klasse 1.4s en 1.4g. Tevens werd bestuursdwang aangekondigd bij overtreding zonder vergunning. Verweerder verklaarde het bezwaar tegen dit besluit op 9 april 2002 ongegrond. Appellanten stelden beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat door de inwerkingtreding van het Vuurwerkbesluit op 1 maart 2002 het bevoegd gezag voor de opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is overgegaan naar het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant. Omdat het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen op 9 april 2002 niet langer bevoegd was om het bezwaar te behandelen, was het bestreden besluit niet rechtsgeldig.
De Raad van State verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van 9 april 2002 en wees het verzoek om schadevergoeding af omdat nadere besluitvorming vereist is. Tevens werden proceskosten en griffierechten toegewezen aan appellanten. Het college van burgemeester en wethouders werd opgedragen het bezwaar alsnog door te zenden aan het bevoegde college van gedeputeerde staten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de milieuvergunning wordt vernietigd wegens onbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders.
Uitspraak
200202895/1.
Datum uitspraak: 26 maart 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellante sub 1a], gevestigd te [plaats], en [appellante sub 1b], gevestigd te [plaats],
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2001 heeft verweerder krachtens artikel 18.12 van de Wet milieubeheer de bij besluit van 23 augustus 1994 aan [appellante sub 1a] verleende milieuvergunning voor de opslag van maximaal 15.000 kg vuurwerk van de klasse 1.4s en 1.4g terstond ingetrokken. Tevens heeft verweerder besloten met toepassing van artikel 125 vanPro de Gemeentewet terstond bestuursdwang toe te passen indien blijkt dat binnen de inrichting zonder de vereiste vergunning vuurwerk wordt opgeslagen.
Bij besluit van 9 april 2002 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 31 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2002, en appellant sub 2 bij brief van 30 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.
Bij brief van 11 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2003, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. R.G. Meester en mr. H. de Vries, advocaten te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.C.J. van Puijenbroek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten hebben aangevoerd dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt omdat verweerder als gevolg van de inwerkingtreding van het “Besluit houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk” (hierna: het Vuurwerkbesluit) op 9 april 2002 niet meer het ten aanzien van de inrichting bevoegde gezag was.
2.2. Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit (Stb 2002, 33) in werking getreden. Artikel 5.1.3, onderdeel E, aanhef en onder 3, van het Vuurwerkbesluit bepaalt dat in bijlage I, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb), categorie 3 onder meer wordt gewijzigd door na onderdeel 3.4 een nieuw onderdeel 3.5 toe te voegen. Ingevolge dat onderdeel 3.5, aanhef en onder a, is het college van gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voorzover het inrichtingen betreft waar meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen of consumentenvuurwerk wordt bewerkt in de zin van het Vuurwerkbesluit.
2.3. Uit voornoemde wijziging van het Ivb en de in de vergunning van 23 augustus 1994 toegestane opslag van maximaal 15.000 kg consumentenvuurwerk volgt, dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant met ingang van 1 maart 2002 het bevoegd gezag is geworden ten aanzien van de onderhavige inrichting. Bij gebreke van overgangsrecht dat ziet op situaties als in onderhavig geding aan de orde volgt hieruit dat, gelijk ook door verweerder ter zitting is erkend, het college van burgemeester en wethouders op 9 april 2002 niet bevoegd was de beslissing op bezwaar te nemen.
2.4. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het tegen het besluit van 8 november 2001 gemaakte bezwaar dient door verweerder alsnog te worden doorgezonden aan het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
2.5. Het op artikel 8:73 vanPro de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek ter zitting om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat nadere besluitvorming is vereist en op de uitkomst daarvan niet kan worden vooruitgelopen.
2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de beroepen gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen van 9 april 2002;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding af;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Gilze en Rijen te worden betaald aan appellanten sub 1;
V. gelast dat de gemeente Gilze en Rijen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 voor appellanten sub 1 en € 109,00 voor appellant sub 2) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.