ECLI:NL:RVS:2003:AF6636
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van inbewaringstelling vreemdeling volgens Vreemdelingenwet 2000
Appellant werd op 3 oktober 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld, welke maatregel door de rechtbank op 15 oktober 2002 werd opgeheven wegens niet-tijdige hoorzitting. Op dezelfde dag werd appellant opnieuw in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de noodzakelijke documenten voor terugkeer beschikbaar waren of spoedig beschikbaar zouden zijn.
Appellant voerde aan dat de eerste inbewaringstelling niet onverwijld was opgeheven, waardoor tussen 8.00 en 13.30 uur op 15 oktober 2002 geen geldige titel voor vrijheidsontneming bestond. De Raad oordeelde dat de opheffing om 13.30 uur plaatsvond en dat de eerdere inbewaringstelling tot dat moment geldig was. Verder stelde appellant dat de minister de tweede inbewaringstelling onterecht had toegepast en dat daarmee de eerdere opheffing niet werd nageleefd. Dit werd verworpen omdat de tweede inbewaringstelling op een andere wettelijke grondslag was gebaseerd.
Ten slotte klaagde appellant dat hij niet tijdig door een rechter was gehoord, wat volgens de Raad niet het geval was omdat hij op 21 oktober 2002 werd gehoord tijdens de behandeling van het beroep tegen de tweede inbewaringstelling. De Raad concludeerde dat de procedurele rechten van appellant niet waren geschonden en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de inbewaringstelling en verklaart het hoger beroep ongegrond.