ECLI:NL:RVS:2003:AF6645
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- J.E.M. Polak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens verantwoordelijkheid Duitsland volgens Dublinverdrag
Appellant verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen op grond van het Dublinverdrag, dat bepaalt dat de lidstaat waar het asielverzoek eerst werd ingediend verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad van State overwoog dat Duitsland inderdaad verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van appellant volgens artikel 8 van Pro het Dublinverdrag.
Appellant voerde onder meer aan dat het Besluit 1/2000 van toepassing zou moeten zijn omdat zijn broer een verblijfsvergunning asiel heeft en dat er sprake is van gescheiden verantwoordelijkheden binnen het gezin. De Raad verwierp dit omdat het Besluit 1/2000 alleen van toepassing is op asielzoekers die nog geen definitief besluit hebben ontvangen.
Verder werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro afgewezen omdat appellant eerst een reguliere aanvraag moet indienen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.