ECLI:NL:RVS:2003:AH8649
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- T.M.A. Claessens
- J.E.M. Polak
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering bouwvergunning voor uitbouw woning
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde op 6 februari 2001 aan verzoeker vrijstelling en een bouwvergunning te verlenen voor een uitbouw in twee bouwlagen met dakterras aan zijn woning. Verzoeker maakte bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van verzoeker gegrond en vernietigde het besluit van het college.
Het college stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat verzoeker belang had bij het beroep, ondanks zijn verhuizing, omdat hij schade had geleden door de weigering. De rechtbank had geoordeeld dat verzoeker gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan een brief van de directeur van de Dienst Stadsontwikkeling, maar de Afdeling stelde vast dat verzoeker in beroep geen beroep op gewekt vertrouwen had gedaan.
De Afdeling concludeerde dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden door het vertrouwensbeginsel toe te passen zonder dat dit was aangevoerd. Tevens was uit de brief van 15 februari 2000 duidelijk dat slechts een positief advies was gegeven en dat het vertrouwensbeginsel in deze situatie met belangen van derden slechts beperkte betekenis heeft.
Daarom vernietigde de Afdeling het vonnis van de rechtbank en wees de zaak terug naar de rechtbank met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.