ECLI:NL:RVS:2004:AO8500
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- F.P. Zwart
- J.E.M. Polak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ouderbijdrage voor uit huis geplaatste dochter op grond van Wet op de Jeugdhulpverlening
Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) legde appellant een ouderbijdrage op voor zijn dochter die in een residentiële voorziening werd geplaatst. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij niet aan de voorwaarden voldeed omdat hij sinds juni 2001 geen recht meer had op kinderbijslag, terwijl de plaatsing pas in februari 2002 plaatsvond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Raad overwoog dat het uitgangspunt van artikel 41d van de Wet op de Jeugdhulpverlening is dat de laatstverzorgende ouder de ouderbijdrage verschuldigd is. Het feit dat er acht maanden tussen het weggaan van de dochter en haar plaatsing in een voorziening zat, doet hieraan niet af.
De Raad oordeelde dat appellant als laatstverzorgende ouder moet worden aangemerkt, ook al had hij geen recht meer op kinderbijslag op het moment van plaatsing. De voorgestane uitleg van appellant zou leiden tot het tenietgaan van de bijdrageplicht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant de ouderbijdrage moet betalen.