ECLI:NL:RVS:2004:AO8860
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.M.H. Hirsch Ballin
- K. Brink
- P.C.E. van Wijmen
- Rechtspraak.nl
Intrekking vergunning grondwateronttrekking wegens niet-gebruik gedurende vier jaar
Bij besluit van 31 mei 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant de vergunning voor het onttrekken van grondwater voor beregening van landbouwgronden ingetrokken, omdat er gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik van was gemaakt. Appellante betoogde dat de vergunning ten onrechte was ingetrokken omdat het perceel jaarlijks werd gebruikt door een derde voor beregening.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat appellante als houdster van de vergunning moest worden aangemerkt, aangezien zij het perceel en het werk bestemd tot grondwateronttrekking in 1987 had overgenomen van de rechtsvoorganger. Echter kon niet met zekerheid worden vastgesteld of de vergunning daadwerkelijk vier jaar niet was gebruikt, mede doordat appellante niet had gemeld dat zij de vergunning had overgenomen en niet had gereageerd op correspondentie.
De Afdeling oordeelde dat appellante door eigen toedoen onbereikbaar was geweest voor verweerder en daardoor niet kon reageren op belangrijke informatie. Hoewel zij de gelegenheid had gekregen bewijs te leveren van gebruik, had zij dit niet gedaan. Daarom mocht verweerder aannemen dat de vergunning niet was gebruikt en was de intrekking terecht.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de vergunning voor grondwateronttrekking is ongegrond verklaard.