ECLI:NL:RVS:2004:AP0484
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- P. van Dijk
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring en uitzetting Somaliër
Appellant is op 3 maart 2004 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het tegen deze bewaring ingestelde beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het hoger beroep en oordeelde dat de voorlopige maatregelen van de President van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, die uitzetting van Somaliërs naar Noord-Somalië betreffen, niet zonder meer gelden voor appellant. De motivering van deze maatregelen is algemeen en ziet op minderheden zonder familie- of clanbanden in Noord-Somalië. De inbewaringstelling van appellant was beëindigd vóór de datum van de motivering, zodat de minister daar geen rekening mee hoefde te houden.
Verder werd vastgesteld dat het EU-document dat voor uitzetting wordt gebruikt geen wettelijke basis in Nederland heeft, wat strijdig is met het legaliteitsbeginsel. Dit leidt echter niet tot onrechtmatigheid van de uitzetting, omdat appellant verplicht is Nederland te verlaten en het document in de praktijk bruikbaar is en geaccepteerd wordt door derde landen.
De Afdeling concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant met het EU-document niet kan worden uitgezet of in problemen zal raken. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat er zicht is op uitzetting en dat de inbewaringstelling niet onrechtmatig was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak dat de vreemdelingenbewaring en uitzetting rechtmatig zijn en wijst het verzoek om schadevergoeding af.