ECLI:NL:RVS:2004:AQ3655
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- B. van Wagtendonk
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid CWI inzake tewerkstellingsvergunningen en besluitbegrip
Appellant, een Pools bedrijf, verzocht de Directie (thans CWI) om bevestiging dat voor bepaalde werkzaamheden geen tewerkstellingsvergunning vereist is, dan wel dat hij gedurende behandeling van een klaagschrift bij de Europese Commissie als niet vergunningplichtig wordt behandeld. De Directie antwoordde dat zij dit niet als een besluit aanmerkt en verklaarde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de brief van de Directie geen zelfstandig besluit is en de aangewezen weg voor beoordeling van vergunningplicht het indienen van een aanvraag is.
In hoger beroep betoogde appellant dat de brief wel een besluit is en dat het voor hem onevenredig bezwarend is om voor al zijn 1500 personeelsleden afzonderlijke vergunningen aan te vragen. Dit werd verworpen omdat de vragen van appellant algemeen van aard waren en het indienen van een aanvraag de juiste procedure is om duidelijkheid te verkrijgen. Ook het betoog dat de CWI bevoegd zou zijn om een verklaring af te geven dat appellant niet vergunningplichtig is, faalde omdat de Wav alleen individuele vergunningverlening aan de CWI toekent.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.