ECLI:NL:RVS:2004:AQ5773
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- P.A. Offers
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verlof vuurwapen wegens onvoldoende motivering
Appellant had een verlof tot het voorhanden hebben van twee vuurwapens, dat door de korpschef van politieregio Amsterdam-Amstelland op 27 maart 2001 werd ingetrokken op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet wapens en munitie (Wwm). De Minister van Justitie verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, en ook de rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht of de Minister zich in redelijkheid op het standpunt had kunnen stellen dat het bezit van wapens niet langer aan appellant kon worden toevertrouwd. Uit het politieonderzoek en ambtsberichten bleek echter geen bewijs van persoonlijke betrokkenheid van appellant bij illegale wapens of het dragen daarvan tijdens clubavonden. Ook waren er geen concrete aanwijzingen dat er op het clubterrein met vuurwapens werd geschoten.
De Raad van State oordeelde dat de motivering van de Minister onvoldoende was en niet kon worden gedragen door de feiten en omstandigheden die aan het besluit ten grondslag lagen. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het besluit van de Minister vernietigd en het beroep van appellant alsnog gegrond verklaard. Tevens werd de Minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het vuurwapenverlof wordt vernietigd.