Uitspraak
200507284/1) strekt de in artikel 7, tweede lid, van de Wwm verleende bevoegdheid tot het treffen van een maatregel ter bescherming van de veiligheid van de samenleving en niet tot het opleggen van een strafrechtelijke sanctie. Tegen de achtergrond van dat grote maatschappelijke veiligheidsbelang is reeds in geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het verlof voldoende reden gelegen om een verlof in te trekken, mits deze twijfel objectief toetsbaar is.
200700544/1, in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank geoordeeld dat er afdoende objectieve aanknopingspunten zijn voor de conclusie van de minister dat er op zijn minst geringe twijfel bestaat aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering op het wapenverbod. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen nu de korpschef het wapenverlof van [persoon A] eveneens heeft ingetrokken.
200308082/1heeft geoordeeld dat deze wapenvondst niet aan een ander bestuurslid van de Hells Angels kon worden toegerekend. Gelet hierop kan de wapenvondst evenmin aan hem worden toegerekend, aldus [appellant].
200308082/1doet aan het voorgaande niet af, nu de beschikking niet alleen is gebaseerd op de wapenvondst van 8 februari 2001 in de caravan van de voorzitter van de Hells Angels. Daarnaast is in de beschikking onder meer melding gemaakt van rondom en in het clubhuis van de Hells Angels aangetroffen hasjiesj, van bedreiging van twee televisiepresentatoren waarbij een televisiepresentator tevens is mishandeld door Hells Angels en van aangetroffen wapens in woningen van Hells Angels waarvoor deze Hells Angels geen wapenverlof hadden. Deze gebeurtenissen zijn in de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2004 niet in aanmerking genomen.
200801483/1) deze bepaling slechts van toepassing is indien sprake is van een "criminal charge", hetgeen, zoals reeds onder 2.2 is overwogen, hier niet het geval is.
200700544/1, waarin is overwogen dat uit de in een proces-verbaal van 16 september 2005 opgenomen telefoontaps is gebleken dat [appellant] [persoon B] heeft bedreigd. Hij betoogt dat de rechtbank deze passage ten onrechte als aanwijzing heeft aangemerkt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat aan hem het onder zich hebben van wapens niet langer kan worden toevertrouwd. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank Amsterdam in haar vonnis van 20 december 2007 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging omdat bij het Acroniemonderzoek tapverslagen van afgeluisterde gesprekken met advocaten niet zijn vernietigd en daardoor de regelgeving met betrekking tot afgeluisterde gesprekken met advocaten niet is nageleefd. Ten aanzien van het bewijs in het Acroniemonderzoek heeft de Afdeling in haar uitspraak van 26 november 2008 zaak nr.
200801483/1overwogen dat het oordeel van de strafrechter de gehele tenlastelegging regardeert, omdat de betrokken tapverslagen de gehele tenlastelegging betreffen. Nu de verdenking van bedreiging van [persoon B] uit een tapverslag volgt, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 8 augustus 2007 heeft overwogen, heeft de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2008, ten onrechte overwogen dat de minister de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2007 aan de intrekking ten grondslag heeft mogen leggen, aldus [appellant].