ECLI:NL:RVS:2004:AQ7486
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- M. Vlasblom
- P. van Dijk
- Rechtspraak.nl
Intrekking Nederlanderschap wegens niet-opgeven oorspronkelijke nationaliteit na naturalisatie
Bij Koninklijke Besluiten van 18 december 2001 werd het Nederlanderschap aan de vreemdelingen verleend, maar deze besluiten werden later ingetrokken omdat de vreemdelingen nagelaten hadden hun oorspronkelijke nationaliteit op te geven, wat een vereiste was volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap.
De rechtbank Amsterdam had de intrekkingsbesluiten vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen gegrond verklaard. De minister en de vreemdelingen stelden beiden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State heeft het hoger beroep van de minister gegrond verklaard en het hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat artikel 7 van Pro het Europees Verdrag inzake nationaliteit rechtstreeks van toepassing is en dat de intrekking van het Nederlanderschap gerechtvaardigd is wanneer de betrokkene opzettelijk zijn oorspronkelijke nationaliteit niet opgeeft. Verder stelde de Raad dat de vreemdelingen onvoldoende hadden aangetoond dat het doen van afstand van hun oorspronkelijke nationaliteit tot een substantieel financieel nadeel zou leiden.
Daarom zijn de intrekkingsbesluiten terecht gehandhaafd en zijn de beroepen van de vreemdelingen ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap aan de vreemdelingen wordt gehandhaafd wegens het opzettelijk niet opgeven van hun oorspronkelijke nationaliteit.