Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ex legeof one parent (Article 6, paragraph 1.a); and
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of art. 61 lid 1 BVVN Pro een limitatieve opsomming bevat van documenten die kunnen dienen als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap in de zin van art. 15 lid 4 RWN Pro. De zaak betrof een vrouw die sinds 1 april 2003 onafgebroken haar hoofdverblijf in Ghana had, en daardoor volgens art. 15 lid 1 sub c RWN Pro haar Nederlandse nationaliteit dreigde te verliezen na tien jaar verblijf in het buitenland.
De rechtbank had geoordeeld dat een brief van de Minister van Justitie uit 2009 als een dergelijke verklaring kon gelden, waardoor de verliestermijn was gestuit en opnieuw was gaan lopen. De Staat stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad oordeelde dat de opsomming in art. 61 lid 1 BVVN Pro limitatief is en dat de brief van de Minister niet als een geldige verklaring kan worden aangemerkt.
Verder bevestigde de Hoge Raad dat het verlies van de nationaliteit na tien jaar verblijf in het buitenland niet in strijd is met het Europees Verdrag inzake Nationaliteit, aangezien het verdrag ruimte laat voor nationale invulling van het criterium van het ontbreken van een effectieve band. De Hoge Raad vernietigde het bestreden vonnis en stelde vast dat de vrouw haar Nederlandse nationaliteit per 1 april 2013 had verloren.
Uitkomst: De Nederlandse nationaliteit van de vrouw is per 1 april 2013 verloren verklaard wegens tien jaar onafgebroken verblijf in het buitenland zonder geldige stuiting.