Uitspraak
200200342/1en
200200065/1dat het algemeen bestuur gehouden zou zijn de schade te vergoeden die [appellant sub 2] stelt te hebben geleden als gevolg van het in werking getreden, maar nog niet onherroepelijke tracébesluit. Deze uitspraken hebben betrekking op de toepassing van artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening en doen niet af aan het gestelde in artikel 2 van Pro de Verordening. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het in dit geval een verzoek om nadeelcompensatie betreft en dat het recht op schadevergoeding ontstaat met het onherroepelijk worden van het tracébesluit. Er hoeft dus niet te worden gewacht tot het moment dat het tracébesluit zijn neerslag vindt in bijvoorbeeld de wijziging van een bestemmingsplan of de verlening van een vrijstelling. Voorts heeft het algemeen bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule, nu de door [appellant sub 2] ingeschakelde makelaar op de hoogte had moeten zijn van het gestelde in artikel 2 van Pro de Verordening en had kunnen adviseren te wachten met de verkoop van de woning. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, kan aan het feit dat het algemeen bestuur het verzoek in behandeling heeft genomen en heeft voorgelegd aan een adviescommissie niet de verwachting worden ontleend dat hij in aanmerking zou komen voor schadevergoeding. De slotsom is dat het beroep van [appellant sub 2] ongegrond is.