ECLI:NL:RVS:2004:AR6749

Raad van State

Datum uitspraak
25 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200404556/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D.A.C. Slump
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen dwangsombesluit gebruik bergingen als woonruimte

Het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe legde verzoekster een dwangsombesluit op om het gebruik van twee bergingen als woonruimte te beëindigen en de aanwezige voorzieningen te verwijderen. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.

De voorzieningenrechter schortte het dwangsombesluit bij wijze van voorlopige voorziening totdat op het beroep zou zijn beslist. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verlengde de voorlopige voorziening met zes maanden. Verzoekster vroeg vervolgens de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter oordeelde dat er feitelijke onduidelijkheden bestaan over de toelaatbaarheid van het gebruik van de bergingen volgens het bestemmingsplan en overgangsrecht. Gezien het grote belang van verzoekster, de verlenging van de begunstigingstermijn door het college en de aanstaande bodemprocedure, werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Het dwangsombesluit werd geschorst en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De uitspraak is een voorlopige maatregel en bindt niet in de bodemprocedure, die op 3 januari 2005 zal worden behandeld.

Uitkomst: Het dwangsombesluit wordt geschorst en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

200404556/2.
Datum uitspraak: 25 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 april 2004 in het geding tussen:
verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 13 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe (hierna: het college) verzoekster onder oplegging van een dwangsom gelast binnen vier weken na verzending van dit besluit het gebruik van de aan de woning gebouwde berging als slaapvertrek te beëindingen en beëindigd te houden en de daarin aanwezige bedden, douche en toiletvoorziening te verwijderen, alsmede het gebruik van de vrijstaande berging als woonruimte te beëindigen en beëindigd te houden en daaruit de zitkamerinrichting te verwijderen.
Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar, onder verlenging van de begunstigingstermijn tot 6 februari 2004 en herroeping van het besluit van 13 december 2001 in zoverre, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 augustus 2003 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter) bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 13 december 2001 geschorst totdat op het beroep is beslist.
Bij uitspraak van 22 april 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening eerst zes maanden na verzending van de uitspraak vervalt.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 2 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2004, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 27 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 november 2004, waar verzoekster in persoon, vergezeld van [gemachtigden], en bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en het college, vertegenwoordigd door mr.Y.E. Brandwijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Appellante gebruikt de aangebouwde berging en de vrijstaande berging ten behoeve van de huisvesting en begeleiding van personen met een verstandelijke beperking. Omtrent de vraag of en, zo ja, in hoeverre het bestemmingsplan met inbegrip van overgangsrecht zodanig gebruik toestaat bestaan ook na behandeling van het verzoek ter zitting feitelijke onduidelijkheden, die in het kader van de bodemprocedure nader onderzoek behoeven. Gelet op de grote belangen van appellante bij het vooralsnog niet hoeven te voldoen aan het dwangsombesluit en voorts de omstandigheid dat het college de begunstigingstermijn bij de beslissing op bezwaar aanzienlijk heeft verlengd en niet is opgekomen tegen de aangevallen uitspraak waarbij de rechtbank de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening met zes maanden heeft verlengd, valt niet in te zien dat een uitspraak in de bodemprocedure door het college niet kan worden afgewacht, temeer nu de behandeling ter zitting van het hoger beroep reeds op 3 januari 2005 zal plaatsvinden. Onder die omstandigheden leidt het van de zijde van het college gestelde belang bij een consequente handhaving niet tot een ander oordeel. Inwilliging van het verzoek heeft geen onevenredig nadeel tot gevolg. Derhalve bestaat aanleiding voor het treffen van de na te melden voorlopige voorziening.
2.3.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe van 6 augustus 2003, BM/u/2003-2699, en het besluit van 13 december 2001, BGZ/HM/;
II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 673,71, waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Neder-Betuwe te worden betaald aan verzoekster;
III.    gelast dat de gemeente Neder-Betuwe aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 205,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump    w.g. Roelfsema
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2004
58-412.