Uitspraak
200200779/1, heeft geoordeeld. Dat deze woning in strijd met het geldende bestemmingsplan is gerealiseerd kan, wat hier ook van zij, niet tot een ander oordeel leiden, nu het feitelijk gebruik van de woning bepalend is voor de vraag of een bepaald object als stankgevoelig object bij de beoordeling van stankhinder moet worden betrokken. Gezien het vorenstaande staat vast dat in de eerder vergunde situatie noch in de gevraagde situatie wordt voldaan aan de afstanden van respectievelijk 120 meter en 149 meter die volgens de afstandsgrafiek van de Richtlijn bij voornoemde aantallen mestvarkeneenheden in acht dienen te worden genomen tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting en de dichtstbijzijnde woning. Tevens staat wat betreft cumulatieve stankhinder vast dat de relatieve bijdrage van de onderhavige inrichting op de reeds overbelaste woningen toeneemt. Nu het aantal mestvarkeneenheden waarvoor thans vergunning is gevraagd groter is dan het aantal mestvarkeneenheden waarvoor eerder vergunning is verleend, biedt artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer evenmin grondslag voor vergunningverlening.