ECLI:NL:RVS:2004:AR8872
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- J.E.M. Polak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verlenging verblijfsvergunning wegens onvoldoende bewijs bescherming tegen represailles
Appellante verzocht om verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, maar dit werd door de Staatssecretaris van Justitie geweigerd. De minister verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde deze beslissing. Appellante stelde dat zij slechts een inspanningsverplichting had om het terugkeerrisico aan te tonen, maar de Raad oordeelde dat de bewijslast bij haar ligt om aannemelijk te maken dat de autoriteiten in haar land van herkomst onvoldoende bescherming bieden.
De Raad overwoog dat artikel 3.52 van het Vreemdelingenbesluit 2000 de minister een ruime beoordelingsvrijheid geeft en dat de rechtbank deze beoordelingsvrijheid niet onjuist heeft getoetst. De aangevoerde grieven van appellante faalden, omdat zij onvoldoende bewijs leverde dat de Slowaakse autoriteiten niet in staat of bereid zijn haar te beschermen.
De Raad vond dat de aangevallen uitspraak geen vragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wegens onvoldoende bewijs van bescherming tegen represailles.