ECLI:NL:RVS:2005:AS6234
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.R. Schaafsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens overtreding opslag afvalstoffen zonder vergunning
Appellante werd door verweerder een last onder dwangsom opgelegd wegens het opslaan van afvalstoffen zonder de vereiste milieuvergunning op een perceel te [plaats]. De dwangsom bedroeg €5.000 per week met een maximum van €50.000. Appellante stelde dat verweerder niet bevoegd was en dat de overtreding niet juist was omschreven.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat verweerder bevoegd was op grond van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, omdat de opslagcapaciteit van de afvalcontainers op het terrein 50 m3 of meer bedroeg. De feitelijke hoeveelheid opgeslagen afval was niet bepalend voor de bevoegdheid.
Verder werd geoordeeld dat de last onder dwangsom voldoende duidelijk was geformuleerd en dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden, aangezien eventuele toezeggingen door niet-bevoegde ambtenaren geen rechten konden scheppen. Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden omdat het aangrenzende bedrijf wel handhaving had ondergaan en appellante zelf tijdig een vergunningaanvraag had kunnen indienen.
De begunstigingstermijn van vier weken werd als redelijk beoordeeld gezien de ernst en duur van de overtreding. Ook de hoogte van de dwangsom werd als proportioneel beschouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de last onder dwangsom wegens opslag van afvalstoffen zonder vergunning wordt ongegrond verklaard.