ECLI:NL:RVS:2005:AT1975

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500968/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • J.M. Leurs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:34 AwbArt. 8:81 AwbArt. 10.37 Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening opheffing last onder dwangsom milieu

Bij besluit van 7 december 2004 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie het verzoek om opheffing van een last onder dwangsom afgewezen. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter behandelde het verzoek op 8 maart 2005, waarbij partijen werden gehoord. Verzoekers stelden dat de rechtsverhoudingen rondom de inrichting waren gewijzigd en dat zij niet langer verantwoordelijk waren voor de naleving van de last onder dwangsom.

De Voorzitter overwoog dat op grond van artikel 5:34, eerste lid, Awb een last onder dwangsom kan worden opgeheven indien het voor de overtreder blijvend of tijdelijk onmogelijk is aan de verplichtingen te voldoen. Er was echter onvoldoende aannemelijk dat de feiten en omstandigheden sinds eerdere uitspraken van 24 november 2004 zodanig waren gewijzigd dat opheffing gerechtvaardigd was. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opheffing van de last onder dwangsom wordt afgewezen.

Uitspraak

200500968/1.
Datum uitspraak: 18 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend te [woonplaats],
en
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie van de gemeente Rotterdam,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2004, kenmerk B.04/380-I, heeft verweerder het verzoek om opheffing van de lasten onder dwangsom van 20 november 2003 als bedoeld in artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.
Bij brief van 28 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 maart 2005, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. A. van Diermen, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. D. Noppe, ambtenaar van de deelgemeente Overschie, en mr. B.M.R.D Menting, medewerker bij de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Bij uitspraken van 24 november 2004, in zaken no.
200403338/1en
200403350/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat verzoekers terecht zijn aangemerkt als overtreders van artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
2.2.    Verzoekers voeren aan dat de rechtsverhoudingen ten aanzien van de inrichting zijn gewijzigd. De activiteiten binnen de inrichting vallen volgens hen thans onder de verantwoordelijkheid van de vereniging "Autohobbyclub Kleiweg". [verzoeker B] stelt dat hij niet meer in een bijzondere gezagsverhouding staat tot de inrichting, zodat hij niet aan de last onder dwangsom kan voldoen. [verzoeker A] stelt uitsluitend gezamenlijk bevoegd te zijn met andere familieleden dan wel met de Autohobbyclub Kleiweg, zodat hij niet zelfstandig aan de last onder dwangsom kan voldoen.
2.3.    Ingevolge artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover thans van belang, kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, op verzoek van de overtreder de last opheffen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
2.4.    Gelet op het verhandelde ter zitting acht de Voorzitter het niet aannemelijk geworden dat de feiten en omstandigheden sinds de uitspraken van 24 november 2004 zodanig zijn gewijzigd dat het verzoekers onmogelijk is om aan hun verplichtingen te voldoen.
2.5.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Leurs, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin    w.g. Leurs
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2005
372.