ECLI:NL:RVS:2005:AT4748
Raad van State
- Hoger beroep
- B.J. van Ettekoven
- C.H.M. van Altena
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid bestuursrechter bij invordering ouderbijdrage Wet jeugdhulpverlening
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) om de ouderbijdrage ingevolge de Wet op de jeugdhulpverlening niet buiten invordering te stellen. De rechtbank Breda verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, maar in hoger beroep bij de Raad van State werd deze uitspraak vernietigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bevoegdheid tot invordering van de ouderbijdrage en het verzet daartegen exclusief bij de burgerlijke rechter ligt, zoals bepaald in artikel 41i, zesde lid, van de WJHV. Dit betekent dat de bestuursrechter niet bevoegd is om te oordelen over de weigering tot buiten invordering stellen van de bijdrage.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 juni 2003 vernietigd en het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het griffierecht aan appellant vergoed. De uitspraak van de rechtbank Breda werd vernietigd en vervangen door deze beslissing van de Afdeling.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering tot buiten invordering stellen van de ouderbijdrage is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan bestuursrechtelijke bevoegdheid.