Uitspraak
200400550/1(AB 2004, 352) is zij dan ook terecht direct getreden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Hierover overweegt de Afdeling als volgt.
Raad van State
Appellanten vroegen op 27 november 2002 ontheffing voor het innemen van ligplaatsen met vijf woonschepen in de Vletsloot te Montfoort en voor het treffen van noodzakelijke voorzieningen. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht besloot deze aanvragen niet te behandelen, later aangepast tot afwijzing. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellanten tegen deze besluiten ongegrond.
Appellanten stelden dat sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder een nieuw bestemmingsplan en gewijzigd beleid, waardoor artikel 4:6 Awb Pro niet van toepassing zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat er geen sprake was van wijziging van het toepasselijke recht of beleid. De Woonschepenverordening van 1978 was nog steeds van toepassing op de aanvraagdatum en het bestemmingsplan Buitengebied van Montfoort stond het innemen van ligplaatsen niet toe.
De Afdeling concludeerde dat het college terecht de aanvraag kon afwijzen op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. Ook de bezwaarprocedure en de behandeling van het beroep voldeden aan de vereisten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.