ECLI:NL:RVS:2005:AT5654

Raad van State

Datum uitspraak
18 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200408796/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WvgArt. 6 WvgArt. 8 WvgArt. 43 Wet op de Raad van State
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij aanwijzing grond volgens Wet voorkeursrecht gemeenten

Bij besluit van 5 april 2002 stelde het college van burgemeester en wethouders van Heiloo voor om percelen grond aan te wijzen op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). De raad van Heiloo wees deze percelen op 2 september 2002 aan. Appellante maakte bezwaar tegen deze aanwijzing, dat door de raad op 3 november 2003 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Alkmaar verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit op 21 september 2004 ongegrond.

Appellante stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de procedure trok zij haar beroep in voor perceel E1748. Voor perceel E1747 bleek dat dit perceel was opgenomen in een ontwerp-bestemmingsplan en dat het college van burgemeester en wethouders een voorstel had gedaan tot vervallenverklaring van het aanwijzingsbesluit van 2 september 2002, wat met ingang van 17 maart 2005 rechtskracht verkreeg.

Omdat appellante geen schade had geleden door het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit en dit besluit inmiddels was vervallen verklaard, oordeelde de Afdeling dat zij geen rechtens te beschermen belang meer had bij de beoordeling van het hoger beroep. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het betaalde griffierecht van € 205,00 aan appellante terugbetaald.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te beschermen belang.

Uitspraak

200408796/1.
Datum uitspraak: 18 mei 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 september 2004 in het geding tussen:
appellante
en
de raad van de gemeente Heiloo.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 5 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo op de voet van artikel 6 van Pro de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) aan de raad van de gemeente Heiloo (hierna: de raad) een voorstel gedaan om onder meer de percelen grond, kadastraal bekend gemeente Heiloo, sectie nrs E1747 en E1748 op grondslag van het structuurplan "Zandzoom" aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.
Bij besluit van 2 september 2002 heeft de raad op de voet van artikel 2 van Pro de Wvg voornoemde percelen aangewezen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.
Bij besluit van 3 november 2003 heeft de raad het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 september 2004, verzonden op 24 september 2004, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 november 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 29 december 2004 heeft de raad van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van  appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2005, waar appellante in persoon, bijgestaan door E.J. Zant, gemachtigde, en de raad, vertegenwoordigd door E. Zaadnoordijk, ambtenaar bij de gemeente, en mr. drs. S.M.C. Nuyten, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellante heeft ter zitting in hoger beroep haar appel, voorzover dit betrekking heeft op voormeld perceel nr. E1748, ingetrokken.
2.2.    Uit het onderzoek ter zitting in hoger beroep is gebleken dat perceel nr. E1747 is opgenomen in een inmiddels totstandgekomen ontwerp-bestemmingsplan "Zuiderloo", waarvan de terinzagelegging in de Staatscourant van 16 maart 2005 is gepubliceerd. Voorts is gebleken dat dit perceel tegelijk met die terinzageleggging is opgenomen in een voorstel van 8 maart 2005 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wvg en dat het college - op de voet van artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wvg - heeft besloten tot vervallenverklaring van het aanwijzingsbesluit van 2 september 2002 met ingang van het moment waarop dit voorstel rechtskracht zal verkrijgen. Het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de Wvg brengt vervolgens mee dat dit voorstel met ingang van 17 maart 2005 (daags na dagtekening van de Staatscourant waarin zijn nederlegging ter inzage is bekend gemaakt) het rechtsgevolg heeft verkregen van een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wvg. De aanwijzing van 2 september 2002 komt hiermee te vervallen.
Gesteld noch gebleken is dat appellante schade heeft geleden als gevolg van het aanwijzingsbesluit van 2 september 2002, dan wel van de handhaving ervan bij besluit van 3 november 2003. Het vorenstaande kan tot geen andere gevolgtrekking leiden dan dat appellante geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.3.    Het hoger beroep, voorzover gehandhaafd, moet derhalve vanwege het ontbreken van het vereiste procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.4.    Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan appellante wordt terugbetaald.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.    gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 205,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk    w.g. Peute
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005
391.