ECLI:NL:RVS:2005:AT7432
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot naturalisatie wegens onvoldoende onafgebroken samenwoning met Nederlandse echtgenoot
Appellant heeft bij besluit van 11 november 2002 een verzoek tot verlening van het Nederlanderschap ingediend, dat door de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie is afgewezen wegens het niet voldoen aan de vereiste onafgebroken woon- en samenwoningseis.
De rechtbank Maastricht heeft het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Appellant stelde in hoger beroep dat hij gedurende de periode van 23 september 2002 tot 8 januari 2003 feitelijk en onafgebroken met zijn Nederlandse echtgenoot heeft samengewoond, maar dit werd verworpen omdat hij eerder had verklaard elders te zijn verbleven.
De Raad van State oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er sprake was van een substantiële onderbreking van de samenwoning en bevestigt het oordeel van de rechtbank dat appellant niet voldeed aan de eis van onafgebroken samenwoning gedurende drie jaar voorafgaand aan het verzoek. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot naturalisatie wordt bevestigd.