ECLI:NL:RVS:2005:AT7954
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- R.E.A. Matulewicz
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering urgentieverklaring Rotterdam wegens onbevoegd mandaat beslissing bezwaar
Appellante verzocht het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om een urgentieverklaring, welke op 14 februari 2003 werd geweigerd. Tegen deze weigering maakte zij bezwaar bij de Algemene Bezwaarschriftencommissie, die het bezwaar op 24 juni 2003 ongegrond verklaarde. De rechtbank Rotterdam bevestigde deze beslissing in haar uitspraak van 27 juli 2004.
Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze stelde vast dat de Algemene Bezwaarschriftencommissie niet bevoegd was om namens het college op het bezwaar te beslissen, omdat mandaatverlening voor de beslissing op bezwaar aan een orgaan buiten de directe invloedssfeer van het college niet is toegestaan volgens artikel 7:11 Awb Pro. De rechtbank had dit niet goed beoordeeld.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de commissie, en bepaalde dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. Daarbij moet het college ook rekening houden met de onjuiste toepassing van de Huisvestingsverordening 2003 in plaats van de 1999 versie.
Verder werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak vernietigd, en het college gelast een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.