ECLI:NL:RVS:2005:AT9282
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R.H.L. Dallinga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beslissing over terugvordering huursubsidieschuld en weigering kwijtschelding
Appellant werd geconfronteerd met een huursubsidieschuld over de periode 1 juli 1994 tot 1 juli 1995, vastgesteld op ƒ 1.440,00 en een terugvordering van ƒ 780,00. Na meerdere verzoeken om uitstel en een formulier Financiële Positie, werd op 11 december 2000 besloten dat appellant niet in aanmerking kwam voor kwijtschelding of opschorting van de incasso, met een betalingsverplichting van ƒ 58,00 per maand.
De rechtbank Breda vernietigde het besluit op bezwaar wegens een mandaatgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de brief van 11 december 2000 een besluit in de zin van de Awb bevatte en dat het bezwaar terecht ontvankelijk was.
De Raad van State bevestigde dat de Minister zich terecht baseerde op het bestaansminimum van appellant bij het vaststellen van de terugbetalingsregeling. Er was geen bewijs van bijzondere omstandigheden die tot kwijtschelding konden leiden en het beleid van de Minister was niet onredelijk. Nieuwe stukken die appellant overlegde in hoger beroep waren niet relevant voor de financiële situatie ten tijde van het bezwaar.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de huursubsidieschuld niet kan worden kwijtgescholden en de betalingsregeling terecht is vastgesteld.