ECLI:NL:RVS:2005:AT9686

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200505040/3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.C.K.W. Bartel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 NatuurbeschermingswetArt. 19, tweede lid NatuurbeschermingswetArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing opschortende werking beroep tegen vergunningen voor oester- en mosselkweek in Oosterschelde

Bij 29 besluiten in december 2004 heeft de Minister vergunningen verleend voor het uitzaaien en weer opvissen van oesters en mosselen uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland in het staats- en/of beschermd natuurmonument Oosterschelde-buitendijks. Tegen deze besluiten maakten de Stichting De Faunabescherming en de Vogelbescherming Nederland bezwaar. Na een besluit op bezwaar van 7 juni 2005 stelde de Stichting De Faunabescherming beroep in bij de Raad van State.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde op 8 juli 2005 het verzoek om een voorlopige voorziening om de opschortende werking van het beroep op te heffen. De vergunningen waren tot dan toe opgeschort vanwege het beroep. Verzoekers stelden dat zij bedrijfseconomisch belang hadden bij het voortzetten van de activiteiten.

De Voorzitter oordeelde dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding was het eerdere oordeel te wijzigen. Daarom werd de opschortende werking van het beroep opgeheven, zodat de vergunningen weer in werking konden treden. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

De uitspraak werd gedaan op 15 juli 2005 door de Voorzitter J.C.K.W. Bartel, in aanwezigheid van ambtenaar van Staat J. Verbeek.

Uitkomst: De opschortende werking van het beroep tegen de vergunningen voor oester- en mosselkweek in de Oosterschelde is opgeheven.

Uitspraak

200505040/3.
Datum uitspraak: 15 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) van
[verzoekers], gevestigd te [plaats],
in het geding tussen:
de stichting "Stichting De Faunabescherming", gevestigd te Amstelveen,
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij 29 afzonderlijke besluiten van 10 december 2004, met kenmerken DRZZ 04-6979/GV/DvR tot en met DRZZ 04-7007/GV/DvR, bij besluit van 16 december 2004, kenmerk DRZZ 04-7265/GV/DvR en bij besluit van 20 december 2004, kenmerk DRZZ 04-7286/GV/DvR, heeft verweerder op grond van artikel 12 van Pro de Natuurbeschermingswet aan verzoekers vergunningen onder voorwaarden verleend voor het uitzaaien en weer opvissen van oesters en mosselen uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland in het staats- en/of beschermd natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks". De vergunningen zijn geldig tot en met 31 december 2005.
Tegen deze besluiten hebben de Stichting De Faunabescherming en de Vogelbescherming Nederland, mede namens de Zeeuwse Milieufederatie, bij brieven van 4 januari 2005 en 20 januari 2005, bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 juni 2005, kenmerk DRR&R/2005/2724, heeft verweerder op het bezwaarschrift van de Stichting De Faunabescherming gericht tegen onder meer de voornoemde vergunningen beslist.
Tegen dit besluit heeft de Stichting De Faunabescherming bij brief van 9 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2005, beroep ingesteld.
Bij brief van 16 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2005, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 juli 2005, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. M. van der Bent, advocaat te Middelburg, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Groot, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.
Voorts zijn daar gehoord, de Stichting De Faunabescherming, vertegenwoordigd door H. Baptist, gemachtigde, en de Zeeuwse Milieufederatie, vertegenwoordigd door V.A. Klap, gemachtigde.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, is de werking van het besluit tot verlenen van een vergunning voor het verrichten van handelingen in een staats- of beschermd natuurmonument opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2.3.    Bij uitspraak van 21 april 2005, inzake
200502282/1e.v. heeft de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de opschortende werking van de ingediende bezwaren tegen de 29 besluiten van verweerder van 10 december 2004, kenmerken DRZZ 04-6979/GV/DvR tot en met DRZZ 04-7007/GV/DvR, het besluit van 16 december 2004, kenmerk DRZZ 04-7265/GV/DvR, en het besluit van 20 december 2004, kenmerk DRZZ 04-7286/GV/DvR, opgeheven tot zes weken na verzending van de beslissingen op bezwaar.
2.4.    Verweerder heeft bij besluit van 7 juni 2005 beslist op de bezwaren gericht tegen onder meer de hiervoor bedoelde 31 vergunningen. De Stichting De Faunabescherming heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit betekent dat vanaf 20 juli 2005 de inwerkingtreding van de hiervoor bedoelde 31 vergunningen opnieuw is opgeschort.
2.5.    Verzoekers betogen dat zij bedrijfseconomisch belang hebben bij het kunnen (blijven) uitzaaien en weer opvissen van uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland afkomstige mosselen en oesters, op hun percelen in het staats- en/of beschermd natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks". Zij verzoeken dan ook om opheffing van de opschortende werking van het ingestelde beroep.
2.6.    Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter geen aanleiding voor een ander oordeel dan in de uitspraak van 21 april 2005 is verwoord.
2.7.    Gelet op het vorenstaande komt het verzoek voor inwilliging in aanmerking.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
treft de voorlopige voorziening dat de opschortende werking van het ingestelde beroep tegen het besluit van 7 juni 2005, kenmerk DRR&R/2005/2724, voorzover daarbij de besluiten van 10 december 2004 met kenmerken DRZZ 04-6979/GV/DvR tot en met DRZZ 04-7007/GV/DvR, het besluit van 16 december 2004, kenmerk DRZZ 04-7265/GV/DvR en het besluit van 20 december 2004, kenmerk DRZZ 04-7286/GV/DvR10, zijn gehandhaafd, wordt opgeheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel    w.g. Verbeek
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2005
388.