ECLI:NL:RVS:2005:AU2153

Raad van State

Datum uitspraak
7 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500012/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • W.M. Haverkamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Wet op de Raad van State
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van besluit over Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer

De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft appellant verplicht deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) en de kosten van €519,25 voor zijn rekening gebracht. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het CBR ongegrond werd verklaard. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het procesbelang niet was verloren gegaan ondanks dat appellant de EMA had afgerond. De kosten die appellant had gemaakt konden worden teruggevorderd als het besluit onrechtmatig bleek.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling. De beslissing over proceskosten in hoger beroep werd gereserveerd voor de einduitspraak van de rechtbank.

De Afdeling stelde de gemaakte kosten van appellant in verband met het hoger beroep vast op €322,00 en bepaalde dat de rechtbank hierover zal beslissen. De uitspraak werd openbaar gedaan op 7 september 2005.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

200500012/1.
Datum uitspraak: 7 september 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2046 van de rechtbank Arnhem van 30 december 2004 in het geding tussen:
appellant
en
de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen", als rechtsopvolgster van de Minister van Verkeer en Waterstaat.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2004 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) appellant verplicht deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) en bepaald dat de kosten van de EMA, een bedrag van € 519,25, voor zijn rekening komen.
Bij besluit van 9 juli 2004 heeft Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 december 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 23 en 28 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 24 maart 2005 heeft het CBR van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2005, waar het CBR, vertegenwoordigd door J.A. Stelt-Launspach, is verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen is het procesbelang niet verloren gegaan doordat appellant de EMA met goed gevolg heeft afgerond. De omstandigheid dat appellant aan de bij het bestreden besluit gehandhaafde verplichtingen heeft voldaan, kan niet leiden tot het oordeel dat appellant geen belang meer zou hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid daarvan. Appellant heeft kosten gemaakt ten bedrage van € 519,25, welk bedrag wordt teruggestort indien zou blijken dat het CBR appellant ten onrechte heeft verplicht mee te werken aan de EMA.
2.2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak, met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State, voor verdere behandeling naar de rechtbank terugwijzen.
2.3.    De Afdeling zal de beslissing omtrent de proceskosten in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank die ook over deze proceskosten zal dienen te oordelen.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 december 2004, AWB 04/2046;
II.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
III.    stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00, en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink    w.g. Haverkamp
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2005
306-440.