Uitspraak
200206222/1, heeft voor deze zaak geen betekenis, reeds omdat, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, geen sprake is van door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch weigerde op 25 april 2000 een bouwvergunning voor een woning met agrarische bedrijfsruimte. Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank aanvankelijk dat het college het besluit moest heroverwegen. Het college handhaafde daarop de weigering, waarna de rechtbank dit laatste besluit ongegrond verklaarde. Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of het bouwplan voldeed aan redelijke eisen van welstand. Appellante voerde aan dat het college de welstandbeoordeling had moeten beperken tot de relatie met de omgeving, maar dit werd verworpen omdat een volledige heroverweging vereist is. Tevens stelde zij dat het college zich niet op negatieve adviezen van de welstandscommissie mocht baseren, mede omdat vergelijkbare plannen elders wel positief werden beoordeeld.
De Raad van State oordeelde dat het bouwplan op zijn eigen merites moet worden beoordeeld en dat het college het negatieve welstandsadvies terecht heeft gevolgd. De afwijkingen van het bouwplan ten opzichte van gebruikelijke volumes en de onrustige gevelindeling rechtvaardigen de weigering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de bouwvergunning wegens niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.