Uitspraak
200303658/1de Regeling ondermandaat Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting (Stcrt. 14 februari 2000, nr. 31, pagina 12) onverbindend geacht, omdat deze zich niet verdraagt met de daaraan op grond van artikel 10:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te stellen eisen. Daartoe heeft de Afdeling overwogen, dat een mandaat, dat het aan de gemandateerde overlaat om te bepalen wat de precieze omvang van het mandaat is, uit oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar is. In dit verband heeft de Afdeling eveneens overwogen dat in de omschrijving van de omvang van het mandaat geen duidelijke criteria zijn opgenomen waaruit kan worden afgeleid voor welke bepaalde categorie van besluiten mandaat is verleend. In haar uitspraak van 28 juli 2004, inzake nr.
200400628/1heeft de Afdeling de Regeling ondermandaat Directoraat-Generaal Wonen (hierna: de Regeling ondermandaat DGW) (Stcrt. 2002, nr. 32) onverbindend geacht, omdat deze regeling een gelijkluidende tekst bevat.
200405818/1, dat de premieregeling 2002 een belastingmaatregel betreft en dat niet verweerder, maar de Staatssecretaris van Financiën of een bestuursorgaan namens hem bevoegd is om op aanvragen om energiepremie op grond van die regeling te beslissen. De bevoegde rechter ter zake van een zodanig besluit is na bezwaar niet de algemene bestuursrechter, maar de belastingrechter. Voorzover appellante met haar aanvragen heeft beoogd een energiepremie te verkrijgen op grond van de premieregeling 2002, kwam verweerder hierover derhalve geen oordeel toe. Gelet op het voorgaande komt de Afdeling evenmin een oordeel toe aangaande de vraag of de voor het jaar 2002 geldende premieregeling op correcte wijze is beëindigd en of de gevolgen daarvan voor rekening van appellante dienen te komen. De Afdeling zal overeenkomstig die uitspraak ook in dit geval het beroep in zoverre het betrekking heeft op de premieregeling 2002 buiten beschouwing laten. De Afdeling verstaat dat verweerder de aanvraag om energiepremie op grond van deze regeling en het daarop betrekking hebbende dossier met toepassing van artikel 2:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht zal doorzenden aan het op grond van die regeling bevoegde bestuursorgaan.