Uitspraak
200307603/1, kan worden afgeleid dat de vraag of het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, niet los kan worden gezien van de vraag of het bevoegd was tot het verlenen van vrijstelling. Gelet op deze samenhang omvat de beoordeling van de vraag of in redelijkheid van de vrijstellingsbevoegdheid gebruik kon worden gemaakt, mede de beoordeling van de vraag of daartoe de bevoegdheid bestond. Dit betekent dat de omstandigheid dat appellanten eerst in hoger beroep het standpunt hebben ingenomen dat het bouwplan niet valt in een door gedeputeerde staten van Groningen aangewezen categorie van gevallen zodat daarvoor geen vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kon worden verleend, er niet aan in de weg staat dat dit standpunt door de Afdeling wordt beoordeeld. Het standpunt van appellanten is evenwel onjuist. Gelet op de brief van gedeputeerde staten van 13 april 2000, kan het college vrijstelling ingevolge dat artikel verlenen - voorzover thans van belang - voor het binnen de bebouwde kom geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen alsmede vervangende nieuwbouw van woongebouwen, al dan niet met functieverandering, alsook het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen alsmede vervangende nieuwbouw van andere gebouwen, al dan niet met functieverandering. Het bouwplan voldoet aan die omschrijving. Appellanten kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat die omschrijving zodanig ruim is dat deze in strijd met de rechtszekerheid moet worden geoordeeld. Het betoog dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 7.4 van de planvoorschriften, omdat geen sprake is van een hoekpand zoals dat artikel eist, ziet er aan voorbij dat ter zake van de overschrijding van het bebouwingspercentage vrijstelling ingevolge voormeld artikel 19, tweede lid, is verleend. Niet aannemelijk is gemaakt dat gedeputeerde staten van Groningen met betrekking tot de door hen voor het bouwplan verleende verklaring van geen bezwaar niet de vereiste zorgvuldigheid hebben betracht.