Uitspraak
200201736/1, heeft de Afdeling beslist op de beroepen tegen het besluit van verweerder. In die uitspraak heeft de Afdeling, voorzover hier van belang, het volgende overwogen:
Raad van State
De gemeenteraad van Wierden stelde op 15 juni 2004 het bestemmingsplan Bedrijvenpark Weuste-Noord 2003 vast, dat door het college van gedeputeerde staten van Overijssel op 18 januari 2005 werd goedgekeurd. Appellanten stelden beroep in tegen deze goedkeuring, onder meer vanwege bezwaren over de behoefte aan het bedrijventerrein, de financiële uitvoerbaarheid, aantasting van het woon- en leefklimaat, natuurwaarden en het toelatingsbeleid voor bedrijven.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die tot een ander oordeel leidden over de behoefte en financiële uitvoerbaarheid van het bedrijventerrein. Ook werden de bezwaren over stank-, geluidshinder en verkeersontsluiting ongegrond verklaard, mede omdat het plan nagenoeg gelijk was aan het vorige plan waarop reeds was beslist.
Wel werd geoordeeld dat het criterium 'naar aard en schaal in Wierden passend' in artikel 3, onder A, eerste lid, van de planvoorschriften onvoldoende is geobjectiveerd, waardoor onduidelijkheid bestaat over welke bedrijven zich kunnen vestigen. Dit leidt tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 10:27 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd dit onderdeel van het besluit vernietigd en onthouden goedkeuring aan dit planonderdeel.
De Afdeling bepaalde dat het overige besluit gegrond is en veroordeelde het college van gedeputeerde staten tot vergoeding van proceskosten aan appellanten. Tevens werd het griffierecht aan appellanten vergoed.
Uitkomst: De goedkeuring van het bestemmingsplan is vernietigd voor het onderdeel 'naar aard en schaal in Wierden passend' wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het overige besluit is gehandhaafd.