Uitspraak
200403729/1(AB 2005, 50), het treffen van handhavingsmaatregelen zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college van optreden had kunnen afzien.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk heeft aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd om een opslagruimte zonder vergunning te verwijderen. De rechtbank Zutphen vernietigde dit besluit omdat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat [wederpartij] voor 18 juli 2001 was aangesproken op de illegale bouw.
Het college stelde nieuwe besluiten vast waarbij de opslagruimte binnen een bepaalde termijn verwijderd of aangepast moest worden aan een verleende bouwvergunning. [Wederpartij] stelde beroep in tegen deze besluiten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep van [wederpartij] ongegrond verklaard.
De Afdeling oordeelde dat het college terecht handhavend heeft opgetreden tegen het in 2002 zonder vergunning gerealiseerde gebouw, dat aanzienlijk afwijkt van het vergunde bouwwerk. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat dit alleen betrekking had op het bouwwerk van vóór 2001. Ook was de begunstigingstermijn van vier weken niet onredelijk kort.
De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan [wederpartij].
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de vernietiging van het besluit en verklaart het beroep tegen de nieuwe besluiten ongegrond.