ECLI:NL:RVS:2005:AU7965

Raad van State

Datum uitspraak
7 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200509360/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • H. Troostwijk
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 5 EVRMArt. 85 Vw 2000Art. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na brand in detentiecentrum Schiphol

Appellant was in vreemdelingenbewaring gesteld ter voorbereiding op zijn uitzetting. Na een brand op 27 oktober 2005 in het Uitzetcentrum Schiphol-Oost heeft appellant aangevoerd dat zijn uitzetting niet heeft plaatsgevonden en dat zijn bewaring onrechtmatig voortduurt, omdat deze slechts zou dienen voor het onderzoek naar de brand.

De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In hoger beroep klaagde appellant dat de bewaring niet langer gericht zou zijn op uitzetting, wat volgens hem ook in strijd zou zijn met artikel 5 EVRM Pro.

De Raad van State oordeelt dat de bewaring ook na de brand nog steeds gericht is op het realiseren van de uitzetting binnen een redelijke termijn. Het uitstel van de uitzetting als gevolg van de brand doet niet af aan de rechtmatigheid van de bewaring. Bovendien is het beroep op artikel 5 EVRM Pro niet eerder bij de rechtbank aangevoerd en kan dit niet in hoger beroep alsnog worden ingebracht.

Daarom wordt het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de voortgezette vreemdelingenbewaring na de brand en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RAAD VAN STATE
200509360/1.
Datum uitspraak: 7 december 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
A,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/47228 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 3 november 2005 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2005 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 november 2005, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 17 november 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Appellant klaagt in grief 1 dat de rechtbank heeft miskend dat zijn uitzetting als gevolg van de brand in het Uitzetcentrum Schiphol-Oost op 27 oktober 2005 niet heeft plaatsgevonden en zijn bewaring slechts voortduurt ten behoeve van het onderzoek naar de oorzaken van die brand. Aldus is de maatregel niet gericht op zijn uitzetting en vanaf die dag onrechtmatig. Volgens hem is daardoor tevens sprake van strijd met artikel 5 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
2.2. Dit betoog faalt. Appellant is ter fine van zijn uitzetting in bewaring gesteld. De bewaring is er ook na 27 oktober 2005 op gericht om zijn uitzetting binnen redelijke termijn te realiseren. Niet gebleken is dat de bewaring slechts voortduurt met het oog op het onderzoek naar de brand. Dat de brand en de gevolgen daarvan tot enig uitstel van de uitzetting en dientengevolge tot voortzetting van de bewaring hebben geleid, doet aan de rechtmatigheid van de bewaring ten tijde hier van belang niet af.
Het betoog inzake schending van artikel 5 EVRM Pro heeft appellant niet in beroep bij de rechtbank naar voren gebracht. Dat dit voor het eerst in hoger beroep gebeurt, verdraagt zich niet met het bepaalde in artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).
2.3. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Hoovers-Backaert, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Hoovers-Backaert
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005
367.
Verzonden: 7 december 2005
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,