ECLI:NL:RVS:2005:AU7965
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na brand in detentiecentrum Schiphol
Appellant was in vreemdelingenbewaring gesteld ter voorbereiding op zijn uitzetting. Na een brand op 27 oktober 2005 in het Uitzetcentrum Schiphol-Oost heeft appellant aangevoerd dat zijn uitzetting niet heeft plaatsgevonden en dat zijn bewaring onrechtmatig voortduurt, omdat deze slechts zou dienen voor het onderzoek naar de brand.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In hoger beroep klaagde appellant dat de bewaring niet langer gericht zou zijn op uitzetting, wat volgens hem ook in strijd zou zijn met artikel 5 EVRM Pro.
De Raad van State oordeelt dat de bewaring ook na de brand nog steeds gericht is op het realiseren van de uitzetting binnen een redelijke termijn. Het uitstel van de uitzetting als gevolg van de brand doet niet af aan de rechtmatigheid van de bewaring. Bovendien is het beroep op artikel 5 EVRM Pro niet eerder bij de rechtbank aangevoerd en kan dit niet in hoger beroep alsnog worden ingebracht.
Daarom wordt het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de voortgezette vreemdelingenbewaring na de brand en wijst het verzoek om schadevergoeding af.