ECLI:NL:RVS:2006:AU9398
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na brand in Uitzetcentrum Schiphol-Oost
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die de vreemdelingenbewaring van appellant A onrechtmatig achtte en de bewaring opheefde met toekenning van schadevergoeding.
De bewaring was ingesteld op 22 september 2005. Na een brand op 27 oktober 2005 in het Uitzetcentrum Schiphol-Oost werd de uitzetting van de vreemdeling tijdelijk opgeschort vanwege het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. De minister voerde aan dat deze opschorting het zicht op uitzetting niet had doen verdwijnen en dat de bewaring daarom rechtmatig bleef.
De Raad van State oordeelde dat de bewaring na 11 november 2005 niet langer diende ter uitzetting, omdat geen uitzettingshandelingen meer werden verricht en geen beletsel voor vertrek bestond. De rechtbank had dit terecht vastgesteld en de minister kon niet afdoen aan deze conclusie met het argument dat vrijwillige vertrekkers prioriteit kregen in het onderzoek.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring na 11 november 2005 niet langer rechtmatig was en wijst het hoger beroep van de minister af.