Uitspraak
200403117/1, heeft de Afdeling de tegen het besluit van 15 maart 2004 door [partijen] en de Waddenvereniging ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
200201933/1) heeft de Afdeling uitspraak gedaan inzake de beroepen van de KNJV en anderen en de Gors- en Ambachtsheerlijkheid van Zuid-Beijerland tegen de aanwijzing van het Haringvliet als SBZ in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Hierbij is de Afdeling ingegaan op diverse beroepsgronden tegen het aanwijzingsbesluit in het algemeen. Onder de in die procedure aangevoerde beroepsgronden zijn naar het oordeel van de Afdeling tevens de in de voorliggende procedure aangevoerde algemene bezwaren van appellante tegen het aanwijzingsbesluit te vatten. Daarom verwijst de Afdeling naar hetgeen zij in de genoemde uitspraak van 19 maart 2003 heeft overwogen onder het kopje ‘Algemene bezwaren tegen de aanwijzing’ (overwegingen 2.4. tot en met 2.4.8. in de uitspraak). In het bijzonder heeft de Afdeling in deze uitspraak geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet de door verweerder gekozen methode van begrenzing, waarbij op grond van ornithologische criteria en daarmee direct en noodzakelijkerwijs samenhangende landschapsecologische overwegingen de geselecteerde gebieden worden begrensd, onredelijk of anderszins onjuist te achten. De Afdeling ziet in hetgeen appellante op deze punten heeft aangevoerd, geen aanleiding om thans wat betreft het Lauwersmeergebied tot een ander oordeel te komen.