ECLI:NL:RVS:2006:AU9837
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- M.G.J. Parkins de Vin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en rechtmatigheid verblijf na niet-naleving meldingsplicht
Bij besluit van 17 oktober 2005 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. De rechtbank 's Gravenhage had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding toegewezen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling niet had voldaan aan de meldingsplicht binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland, zoals vereist in artikel 4.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Hierdoor was het rechtmatig verblijf geëindigd en diende de vreemdeling Nederland onmiddellijk te verlaten volgens artikel 62, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State stelde vast dat de minister zich terecht op het standpunt had gesteld dat de vreemdeling zich niet aan zijn vertrektermijn had gehouden en dat de inbewaringstelling gerechtvaardigd was vanwege het gevaar dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken. Ook het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland werd als relevant beschouwd.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling als rechtmatig bevestigd.