ECLI:NL:RVS:2006:AV3839

Raad van State

Datum uitspraak
28 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200600104/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Beekhuis
  • P. Plambeck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbBesluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheerWet uniforme openbare voorbereidingsprocedure AwbAanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing handhaving geluidsoverlast jongerencentrum

Verzoeker heeft bij besluit van 25 november 2002 verzocht om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen tegen het jongerencentrum "Pitstop" te Eindhoven, maar dit verzoek is door verweerder afgewezen. Tegen deze afwijzing is bezwaar gemaakt dat eveneens ongegrond werd verklaard. Vervolgens heeft verzoeker bij de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Tijdens de zitting op 16 februari 2006 zijn partijen gehoord. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat geen overtreding van de milieuregels plaatsvindt, mede gelet op een eerdere uitspraak waarin het buitenterrein van de inrichting niet wordt betrokken bij de beoordeling van geluidhinder. Verzoeker betwist dit en stelt dat de controles onvoldoende zijn om overtreding uit te sluiten.

De Voorzitter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zodanige geluidoverlast dat een voorlopige voorziening noodzakelijk is. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van handhaving geluidsoverlast wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisendheid.

Uitspraak

200600104/2.
Datum uitspraak: 28 februari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2002 heeft verweerder het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van het jongerencentrum "Pitstop" op het perceel Grand Combin 2 te Eindhoven afgewezen.
Bij besluit van 18 november 2005, verzonden op 25 november 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 3 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 januari 2006.
Bij eerstgenoemde brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 februari 2006, waar verzoeker, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van Creij en A.F.M. van Beek, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord de drijver van de inrichting, vertegenwoordigd door G.M. Venhuizen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.
2.3.    Verweerder heeft aan het bestreden besluit de overweging ten grondslag gelegd, dat er geen sprake is van overtreding van de voorschriften van de bijlage bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), zodat hij niet bevoegd was terzake handhavend op te treden. Ten aanzien van het stemgeluid van bezoekers op het terrein van de inrichting heeft verweerder verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2005, no.
200410395/1, waarin de Afdeling ten aanzien van het terrein bij de onderhavige inrichting heeft vastgesteld dat sprake is van een buitenterrein als bedoeld in voorschrift 1.1.2, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit, zodat het stemgeluid afkomstig van dit buitenterrein niet bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder behoeft te worden betrokken. Ten aanzien van de geluidbelasting veroorzaakt door het komen en gaan van bezoekers van de inrichting dient volgens verweerder toepassing te worden gegeven aan voorschrift 1.1.4, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit. Tot slot heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld, dat er geen sprake is van overtreding van voorschrift 3.4.2 van de bijlage bij het Besluit.
2.4.    Verzoeker betwist dat de voorschriften 1.1.1 en 3.4.2 van de bijlage bij het Besluit niet worden overtreden. Volgens verzoeker zijn de door verweerder uitgevoerde controles onvoldoende om vast te kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding.
2.5.    De Voorzitter overweegt dat, gelet op artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De Voorzitter is van oordeel dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanige geluidoverlast dat, in afwachting van de behandeling van de hoofdzaak, de noodzaak bestaat een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.    Gelet op vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis    w.g. Plambeck
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2006
159-443.