ECLI:NL:RVS:2006:AW5535
Raad van State
- Hoger beroep
- E.M.H. Hirsch Ballin
- R.W.L. Loeb
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten bij bezwaar tegen uitblijven besluit verblijfsvergunning
De zaak betreft een hoger beroep van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tegen een uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage die de minister veroordeelde tot vergoeding van proceskosten van een vreemdeling. De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en de minister veroordeeld tot vergoeding van de kosten die de vreemdeling had gemaakt in verband met het bezwaar en het beroep.
De minister stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij tot vergoeding van deze kosten was gehouden. De Raad van State overwoog dat volgens artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kosten die redelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de behandeling van bezwaar alleen vergoed worden indien het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De Raad van State nuanceerde dit en stelde dat kosten die verband houden met bezwaar tegen het uitblijven van een besluit wel degelijk voor vergoeding in aanmerking komen, tenzij het uitblijven het bestuursorgaan niet kan worden verweten.
Omdat de termijnoverschrijding de minister niet kon worden verweten, maar de minister dit niet had betwist, oordeelde de Raad van State dat de kosten van de vreemdeling voor rechtsbijstand terecht vergoed moesten worden. De minister werd veroordeeld tot betaling van €322,00 aan de vreemdeling. Hiermee werd het hoger beroep van de minister ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €322,00 aan de vreemdeling wegens het uitblijven van een besluit.