ECLI:NL:RVS:2006:AY3727
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- S.I.M. Peute
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring beroepschrift ligplaatsvergunning woonboot Amsterdam
Appellant had een ligplaatsvergunning voor zijn woonboot aan een locatie in Amsterdam aangevraagd, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 16 augustus 2004 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing werd bezwaar gemaakt, dat op 23 februari 2005 ongegrond werd verklaard. Appellant stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift te laat was ingediend.
In hoger beroep bij de Raad van State werd overwogen dat het beroepschrift inderdaad na de wettelijke termijn was ingediend. Echter, appellant had aangevoerd dat de aangetekende post met de beslissing op bezwaar niet correct was bezorgd en dat hij geen kennisgeving had ontvangen om het poststuk op te halen. De Afdeling oordeelde dat appellant deze stelling op een niet ongeloofwaardige wijze had onderbouwd en dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat de kennisgeving wel was ontvangen.
Verder werd overwogen dat appellant uit de begeleidende brief bij de gewone postzending van 22 maart 2005 redelijkerwijs mocht afleiden dat hij nog tijd had om beroep in te dienen binnen zes weken. Hierdoor kon niet worden geoordeeld dat appellant in verzuim was. De niet-ontvankelijkverklaring van het beroepschrift door de rechtbank was daarom onterecht.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2005 en wees de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling. Tevens werden de proceskosten in hoger beroep vastgesteld en werd bepaald dat de rechtbank over de vergoeding daarvan en van de proceskosten in beroep zal beslissen.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.