Uitspraak
200305663/1. De Afdeling begrijpt het derde lid van artikel 2:12a van de APV aldus dat het in het eerste lid opgenomen verbod slechts dan niet geldt wanneer daaraan hetzelfde motief ten grondslag ligt als aan het BPR. Dat is niet het geval. De in het BPR opgenomen bepalingen strekken blijkens artikel 1 en Pro de toelichting daarop tot bescherming van de veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer op voor de scheepvaart openstaande openbare wateren. Vanuit dat oogpunt bestaan tegen het afmeren van een schip op deze locatie geen bezwaren. Dit betekent echter niet dat gelet op andere, door de APV beschermde belangen, waaronder de openbare orde, voor het verbod om op deze locatie ligplaats in te nemen met een woonboot, geen plaats meer is.