Uitspraak
200505240/1, die bij appellante bekend wordt verondersteld. In die zaak zijn grotendeels dezelfde argumenten naar voren gebracht als thans, welke argumenten zijn verworpen. De Afdeling ziet geen reden thans anders te oordelen.
Raad van State
Appellante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en wethouders van Leiden om haar bezwaar tegen een leerplichtvrijstelling niet-ontvankelijk te verklaren. De leerplichtambtenaar had eerder medegedeeld dat het beroep op vrijstelling niet voldeed aan de eisen van de Leerplichtwet 1969, waardoor geen vrijstelling werd verleend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het college niet bevoegd was om een inhoudelijke beslissing te nemen over de kennisgeving van appellante. De Raad van State overweegt dat de vrijstelling rechtstreeks voortvloeit uit de wet en dat het college of de leerplichtambtenaar geen besluit heeft genomen waarop bezwaar en beroep mogelijk zijn.
Appellante voerde aan dat de brief van de leerplichtambtenaar wel een besluit met rechtsgevolg bevatte, maar de Raad van State verwijst naar eerdere jurisprudentie en bevestigt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.