ECLI:NL:RVS:2006:AY7166
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Buuren
- De Rooy
- Rechtspraak.nl
Bestemmingsplan Lintbebouwing Vinkeveen 2003: toetsing aan provinciaal beleid en ruimtelijke ordening
Bij besluit van 27 september 2004 stelde de gemeenteraad van De Ronde Venen het bestemmingsplan Lintbebouwing Vinkeveen 2003 vast. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht keurde dit plan op 10 mei 2005 goed, maar onthield goedkeuring aan bepaalde onderdelen. Diverse appellanten maakten hiertegen beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het overgangsrecht van toepassing was en dat het beroep deels niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van een zienswijze. Vervolgens werd het toetsingskader vastgesteld, waarbij het provinciale streekplan Utrecht 2005-2015 en de provinciale Handleiding bestemmingsplannen buitengebied centraal stonden. De Afdeling onderzocht diverse onderdelen van het plan, waaronder de regeling voor bijgebouwen, de bestemming Woondoeleinden, woonschepenligplaatsen, maatschappelijke doeleinden en agrarische doeleinden.
Voor bijgebouwen werd vastgesteld dat het plan onvoldoende onderscheid maakte tussen gebieden binnen en buiten de verstedelijkingscontour, en dat het provinciale beleid een genuanceerdere regeling toestaat. De Afdeling vernietigde het besluit voor zover goedkeuring werd onthouden aan de zinsnede over de maximale oppervlakte van bijgebouwen. Voor de bestemming Woondoeleinden oordeelde de Afdeling dat de toekenning van bouwvlakken in het buitengebied in strijd was met provinciaal beleid en dat de goedkeuring daaraan terecht was onthouden, behalve voor een perceel binnen de verstedelijkingscontour waar goedkeuring terecht was verleend.
Met betrekking tot woonschepen werd vastgesteld dat het planvoorschrift niet in overeenstemming was met het provinciale beleid, met name door het hanteren van maximale oppervlaktematen in plaats van lengte, breedte en hoogte. De Afdeling bevestigde de onthouding van goedkeuring aan deze onderdelen. Voor maatschappelijke doeleinden werd vastgesteld dat de uitbreiding van bouwmogelijkheden leidde tot overlast en ontoereikende belangenafweging, zodat het besluit in zoverre werd vernietigd.
Tot slot oordeelde de Afdeling dat de sloopbonusregeling voor agrarische bedrijfsbebouwing niet voldeed aan het provinciale beleid, waardoor goedkeuring terecht werd onthouden. De Afdeling vernietigde het besluit deels en beval aan dat de gemeenteraad het plan heroverweegt in overeenstemming met provinciaal beleid en de motiveringsvereisten van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan wordt deels vernietigd wegens strijd met provinciaal beleid en onvoldoende motivering.