Uitspraak
200502807/1, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd, waarna verweerder bij het in de onderhavige zaak bestreden besluit opnieuw op de aanvraag om vergunning heeft beslist.
200202415/1en van 5 januari 2005, no.
200306670/1. Daarnaast voert appellant aan dat hij ruim een jaar voor het verstrijken van de driejarentermijn als bedoeld in artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer een aanvraag om een nieuwe revisievergunning heeft ingediend, zodat hij, als verweerder hem had meegedeeld dat tevens een bouwvergunning nodig was, voldoende tijd had gehad om een bij de vergunning van 25 juni 2001 behorende bouwvergunning aan te vragen. Verweerder heeft echter nooit meegedeeld dat het aanvragen van een bouwvergunning noodzakelijk was, aldus appellant.
200106376/2, blijft de onderliggende vergunning voor een inrichting gelden indien de later verleende en onherroepelijk geworden vergunning, als gevolg van de omstandigheid dat geen bouwvergunning is verleend, ingevolge de coördinatieregeling van artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet in werking is getreden. Nu in verband met de revisievergunning van 25 juni 2001 noch in verband met de revisievergunning van 23 juli 1997 een bouwvergunning is aangevraagd, zijn die vergunningen nimmer in werking getreden en is geen van die beide vergunningen de voor de inrichting geldende vergunning. In verband met de uitbreidingsvergunning van 12 september 1990 is wel een bouwvergunning aangevraagd. Deze bouwvergunning is op 10 december 1991 verleend, zodat de uitbreidingsvergunning van 12 september 1990 de voor de inrichting geldende vergunning is. Verweerder heeft de bestaande rechten dan ook terecht op deze uitbreidingsvergunning gebaseerd.