ECLI:NL:RVS:2013:1
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.W.L. Loeb
- R.R. Winter
- R. Uylenburg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bevoegdheid en handhaving milieuvergunningen bij inrichting Someren
Bij drie besluiten van 3 augustus 2009 legde het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan drie besloten vennootschappen lasten op wegens het zonder vergunning verrichten van activiteiten in een inrichting te Someren. De appellanten stelden dat het college niet bevoegd was en voerden diverse bezwaren aan tegen de besluiten en de hoogte van de dwangsommen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bevoegd was op grond van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, aangezien de inrichting een capaciteit van 25.000 m³ of meer had voor verwerking van dierlijke meststoffen. Verder werd geoordeeld dat het college voldoende gemotiveerd had en dat de dwangsommen in redelijke verhouding stonden tot de overtredingen.
Ten aanzien van de milieuvergunningen werd vastgesteld dat de vergunningen uit 1996 en 2001 de geldende vergunningen waren, omdat latere vergunningen niet in werking waren getreden door ontbrekende bouwvergunningen. Het college mocht daarom handhavend optreden. Het beroep tegen het besluit van 22 december 2009 werd deels gegrond verklaard omdat het college ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. Het besluit van 11 oktober 2011 werd vernietigd en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De Afdeling bevestigde het belang van handhaving bij overtredingen en dat slechts onder bijzondere omstandigheden van handhaving kan worden afgezien, zoals bij concreet zicht op legalisering, wat hier niet het geval was ten tijde van de besluiten van 3 augustus 2009.
Uitkomst: Beroepen deels ongegrond verklaard, besluit van 11 oktober 2011 vernietigd en proceskosten toegewezen.