ECLI:NL:RVS:2006:AZ0348
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoeken wegens bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Appellanten hebben bij afzonderlijke besluiten van 4 november 2004 verzoeken om naturalisatie ingediend die door de minister zijn afgewezen op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd bedenkingen bestaan.
De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Raad van State. Zij voerden onder meer aan dat de RWN niet correct was toegepast, dat de minister de wettelijke beslistermijn had overschreden, dat de rapportage van de vreemdelingendienst onterecht leidde tot bedenkingen tegen hun verblijf en dat zij niet op bezwaar waren gehoord.
De Raad van State oordeelde dat de minister de juiste versie van de RWN heeft toegepast en dat de overschrijding van de beslistermijn geen rechtsgevolg heeft. Tevens is bevestigd dat de naturalisatieprocedure niet bedoeld is om zelfstandig de verblijfsvergunning te toetsen en dat de ingetrokken verblijfsvergunningen en de bevestiging daarvan door de rechtbank en de Raad van State het standpunt van de minister rechtvaardigen dat bedenkingen tegen het verblijf bestaan.
Ten slotte is geoordeeld dat de minister terecht geen hoorzitting hield omdat de bezwaren geen aanleiding gaven tot een ander besluit. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de naturalisatieverzoeken wegens bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.