Uitspraak
200506646/1(JB 2006/211). De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat hun bezwaren niet-ontvankelijk hadden moeten worden verklaard.
Raad van State
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer weigerde op 16 december 2004 een verklaring van geen bezwaar af te geven voor de bouw van een vrijstaande woning naast een perceel nabij een luchthaven. Appellanten stelden beroep in tegen deze weigering. De rechtbank verklaarde het beroep van twee appellanten gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, maar verklaarde het bezwaar van twee andere appellanten niet-ontvankelijk.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat deze twee appellanten geen belanghebbenden waren, aangezien zij eigenaren van het perceel zijn en daarom belanghebbenden in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad bevestigde dat het besluit van de Staatssecretaris terecht was gebaseerd op het luchthavenindelingsbesluit en het beleid dat geen woningen zijn toegestaan in het betreffende gebied, behalve in uitzonderingsgevallen.
De Raad verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat de aangehaalde gevallen niet vergelijkbaar waren. Uiteindelijk verklaarde de Raad het hoger beroep van de twee appellanten gegrond en vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze hun bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. Voor de andere appellanten bleef de uitspraak van de rechtbank ongewijzigd. Tevens werd het griffierecht aan appellanten vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep van twee appellanten wordt gegrond verklaard en het besluit van de Staatssecretaris blijft in stand; het hoger beroep van de andere appellanten wordt ongegrond verklaard.