Uitspraak
200402189/1, zie AB 2005, 25), heeft een bestemmingsplan een goede ruimtelijke ordening tot doel. Deze wordt verkregen door het coördineren van de verschillende belangen tot een harmonisch geheel dat een grotere waarde vertegenwoordigt dan het dienen van de belangen afzonderlijk. Wat betreft de in het plan gegeven mogelijkheden moet dan ook worden aangenomen dat bij de planvaststelling de ruimtelijke gevolgen hiervan zijn beoordeeld. Uit artikel 10, lid A, van de planvoorschriften blijkt echter dat -zonder dat sprake is van een vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 15 WRO Pro- voor bedrijven met activiteiten die niet zijn opgenomen in bijlage 1b, een nadere afweging door het college van burgemeester en wethouders is vereist om zekerheid te hebben omtrent het antwoord op de vraag of hun activiteiten onder het plan zijn toegelaten op percelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden". Het gebruik van de zinsnede "en/of daarmee naar het oordeel van de burgemeester en wethouders vergelijkbare bedrijven" leidt derhalve ook tot onzekerheid over het antwoord op de vraag welke bedrijven op percelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" mogen worden gevestigd. Het betoog van appellanten dat deze onderdelen van artikel 10, lid A, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zijn vastgesteld, slaagt derhalve.