ECLI:NL:RVS:2006:AZ4027

Raad van State

Datum uitspraak
28 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200604725/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • M.G.J. Parkins de Vin
  • H. Troostwijk
  • D. Roemers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.88 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 14 Vreemdelingenwet 2000Art. 18 lid 1 sub f Vreemdelingenwet 2000Art. 12 Wetboek van StrafvorderingArt. 8:54 lid 1 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling uitleg artikel 3.88 Vreemdelingenbesluit 2000 inzake verlenging verblijfsvergunning bij mensenhandel

De minister van Vreemdelingenzaken en Integratie had een aanvraag van een vreemdeling om verlenging van de verblijfsvergunning afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank had dit besluit vernietigd omdat zij oordeelde dat artikel 3.88 van het Vreemdelingenbesluit 2000 niet strikt vereist dat de vreemdeling zelf schriftelijk beklag bij het gerechtshof moet hebben gedaan tegen de niet vervolging van een verdachte van mensenhandel.

De rechtbank baseerde haar oordeel mede op de Nota van Toelichting en stelde dat het van belang was dat er beklag was gedaan, ongeacht door wie, omdat de wetgever het verblijf van getuigen in mensenhandelzaken wilde waarborgen zolang dat nodig is voor de bewijsvoering.

De Raad van State oordeelt echter dat de tekst van artikel 3.88 Vreemdelingenbesluit 2000 leidend is en dat deze duidelijk vereist dat de vreemdeling zelf schriftelijk beklag moet hebben gedaan bij het gerechtshof. Omdat in deze zaak niet is betwist dat de vreemdeling dit niet heeft gedaan en het artikel geen ruimte biedt voor afwijkingen, vernietigt de Raad van State het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de minister gegrond. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister gehandhaafd.

Uitspraak

200604725/1.
Datum uitspraak: 28 november 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/45888 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 31 mei 2006 in het geding tussen:
[de vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2005 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
Bij besluit van 23 september 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 31 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 10 juli 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat hij artikel 3.88 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) onjuist heeft toegepast en derhalve het besluit van 23 september 2005 ondeugdelijk heeft gemotiveerd, heeft miskend dat de tekst van het artikel duidelijk en derhalve bepalend is voor de uitleg van het artikel, zodat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan hetgeen in de Nota van Toelichting bij het artikel is vermeld.
II. In artikel 3.88 van het Vb 2000 is bepaald dat de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel, niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van die wet wordt afgewezen om de enkele reden dat een beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de verdachte is genomen, indien de vreemdeling tegen die beslissing schriftelijk beklag heeft gedaan bij het Gerechtshof en op dat beklag nog niet is beslist.
III. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, overwogen dat artikel 3.88 van het Vb 2000, mede gelet op het gestelde in de Nota van Toelichting bij dit artikel, niet zo beperkt moet worden uitgelegd dat is vereist dat de vreemdeling zelf tegen een beslissing tot niet vervolging van een verdachte van mensenhandel beklag heeft gedaan bij het Gerechtshof. Van belang is dat beklag tegen die beslissing is gedaan en niet door wie dit is gedaan, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank heeft de wetgever bedoeld het verblijf van getuigen in zaken tegen mensenhandel te vergunnen, zolang dit nodig is voor de bewijsvoering in de zaak. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de strafzaak in het onderhavige geval nog niet tot een definitieve afronding is gekomen, aangezien het slachtoffer op grond van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering beklag bij het Gerechtshof heeft gedaan, en onweersproken is dat de vreemdeling in de strafzaak een belangrijke rol als getuige-aangever vervult.
IV. De grief slaagt. De rechtbank heeft niet onderkend dat voor de betekenis van artikel 3.88 van het Vb 2000 de tekst van die bepaling als uitgangspunt dient te worden genomen. Aangezien in het artikel in duidelijke bewoordingen is neergelegd dat de vreemdeling tegen de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de verdachte van mensenhandel schriftelijk beklag moet hebben gedaan bij het Gerechtshof en uit de bepaling ook duidelijk volgt dat daarbij wordt gedoeld op de vreemdeling die een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning heeft ingediend, is de tekst bepalend voor de uitleg van het artikel. De rechter komt dan niet toe aan een van die tekst afwijkende, door hem redelijk bevonden uitleg, als door de rechtbank in de bestreden overweging neergelegd.
Nu voorts niet in geschil is dat de vreemdeling geen schriftelijk beklag tegen de niet vervolging van de verdachte van mensenhandel bij het Gerechtshof heeft ingediend en artikel 3.88 van het Vb 2000 verder geen ruimte biedt voor afwijking in bijzondere gevallen, heeft de rechtbank ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat het bij haar bestreden besluit met betrekking tot de toepassing van artikel 3.88 van het Vb 2000 niet deugdelijk is gemotiveerd.
2.2. Grief 2 heeft geen zelfstandige betekenis.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van de minister van 23 september 2005 alsnog ongegrond verklaren.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
V. verklaart het hoger beroep gegrond;
VI. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 31 mei 2006 in zaak
no. AWB 05/45888;
VII. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah Oemar, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
Voorzitter
w.g. Nasrullah-Oemar
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2006
404
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak